Andrew Bird

Beste van Sufjan Stevens, Jeff Buckley en Rufus Wainwright

Natuurlijk, de muziek van Andrew Bird roept direct gelijkenis op met illustere overleden voorgangers als Nick Drake en Jeff Buckley en de minstens even illustere generatiegenoot Rufus Wainwright. Niet de minste om mee vergeleken te worden, maar door een geheel eigen stijl in het ‘folk’-genre te creëren, zo maakt hij uitstapjes naar Hongaarse zigeunermuziek en early jazz, heeft Andrew Bird deze heren helemaal niet nodig om tot grote hoogte te komen. Al op vierjarige leeftijd nam Andrew voor het eerst een viool ter hand. Jong geleerd is oud gedaan, want die basis hoor je nog overal terug. Het is overduidelijk dat Andrew klassiek geschoold is en de liedjes ontstaan met de viool als beginpunt. Waar hierbij het gevaar op de loer ligt dat de muziek zwaar en dramatisch wordt en over het randje gaat, is dit nergens het geval. Het is allemaal uiterst goed te verteren. Dankzij een tokkelend gitaartje, dromerig klokkenspel, romantische viool en niet in de laatste plaats het melodische gefluit waarbij vreemde vogel Andrew zelf de lippen tuit , krijgt de muziek een warm karakter. Op zijn recent verschenen album `Armchair Apocrypha` laat Andrew zonder opsmuk horen over wat een gezegend talent hij beschikt. Het album staat vol kleine, tijdloze monumentjes. Op het podium vindt Andrew, onlangs nog in een prachtige docu bij Vpro`s RAM te zien, een warm nest. Op de buhne produceert hij in zijn uppie een geluid wat normaal een hele band slechts met moeite voor elkaar krijgt.